André Fabry

Tussen Athene in de vijfde eeuw voor Christus en Praag in het begin van de twintigste eeuw ligt een kloof van bijna 2500 jaar. Toch lijken Plato en Kafka elkaar toe te knikken over die afgrond heen. Beiden schrijven over de grote vragen die nooit verouderen: waarheid, rechtvaardigheid, verlangen, en de onrust van het menselijk bestaan. En beiden laten hun lezers achter in een aporie, een onoplosbaar probleem, een impasse, of een toestand van verwarring – een toestand waarin het denken stokt, maar tegelijk juist begint. Plato doet dat in zijn dialogen, waarin Socrates zijn gesprekspartners steeds verder in een doolhof van redeneringen leidt. Kafka doet het in zijn parabels en romans, waarin de lezer verdwaalt in bureaucratische gangen en ondoorgrondelijke wetten. Het is die verwantschap die ik hier wil verkennen: de vriendschap bij Plato in Lysis en de relatie tussen buitenman en deurwachter in Kafka’s ‘Vor dem Gesetz’.

Plato’s zoektocht naar vriendschap
In Lysis probeert Socrates samen met zijn jonge gesprekspartners te achterhalen wat vriendschap precies is. Het Griekse woord philia is veel ruimer dan ons woord “vriendschap”: het kan slaan op liefde, familiebanden, collegialiteit, of elke vorm van verbondenheid. Socrates onderzoekt verschillende mogelijkheden: Is vriendschap gebaseerd op nut, omdat vrienden elkaar helpen? Is ze wederkerig, zoals bij geliefden? Is ze een band tussen gelijken, of juist tussen tegenpolen? Telkens loopt de redenering vast. Uiteindelijk lijkt verlangen de sleutel: we zoeken vriendschap omdat we iets missen, omdat we onszelf niet volledig genoeg vinden. Maar ook dat leidt tot een paradox. Want zodra het verlangen vervuld is, verdwijnt de voorwaarde voor vriendschap. Socrates bekent uiteindelijk: ‘Want als het dan zo is dat geen van allen tot de kern van het ‘bevriend zijn’ kan doordringen, dan weet ik niet meer wat ik nog kan zeggen.’ Juist in dat niet-weten gloeit een inzicht: vriendschap komt voort uit gemis. Zoals Plato elders schrijft: “Hij is de vriend (philos) van de wijsheid (sophia), een filosoof geworden.’ De filosoof is dus de vriend van het inzicht zelf, gedreven door verlangen.

Kafka’s parabel van de poort
Kafka’s ‘Vor dem Gesetz’ is een verhaal van anderhalve bladzijde, maar het omvat een heel leven. Een man van het platteland verlangt toegang tot de Wet. Voor de poort staat een deurwachter die zegt: ‘Nu niet.’ De man wacht, verliest zijn bezit, verliest zijn kracht, en sterft uiteindelijk voor de gesloten poort. Op het einde klinkt de onthutsende zin: ‘Hier konnte niemand sonst Einlaß erhalten, denn dieser Eingang war nur für dich bestimmt. Ich gehe jetzt und schließe ihn.’ De parabel is eenvoudig, maar haar betekenis is eindeloos. De buitenman en de deurwachter zijn geen vrienden in de conventionele zin, maar hun band is onlosmakelijk.

Een vreemde vriendschap
In Plato’s brede betekenis van philia – elke band die mensen verbindt – kunnen we de relatie tussen buitenman en deurwachter wel degelijk vriendschap noemen. Ze hebben elkaar nodig: de buitenman kan enkel via hem binnenkomen, de deurwachter heeft pas een functie omdat iemand toegang verlangt. Hun relatie is dubbelzinnig: vijandig en toch vertrouwd, afwijzend en toch verbonden. De buitenman blijft trouw wachten, alsof hij zich hecht aan de wachter die hem tegenhoudt. De deurwachter waarschuwt hem zelfs voor de anderen achter de poort. Het is een vriendschap die tegelijk aantrekt en afstoot.
Kafka schetst hier een band die doet denken aan Plato’s aporie: een relatie die tegelijk betekenisvol en zinloos is, een vriendschap die tegelijk bestaat en niet bestaat.

De aporie als spiegel
Hier raken Plato en Kafka elkaar. Bij Plato eindigt de dialoog in een patstelling: men weet dat men niet weet wat vriendschap is. Bij Kafka eindigt de parabel in een gesloten poort: men weet dat men nooit zal weten wat de Wet is.

In zijn Proces-roman laat Kafka de gevangeniskapelaan het volgende zeggen: ‘Richtiges Auffassen einer Sache und Mißverstehen der gleichen Sache schließen einander nicht vollständig aus.’ Juist in het misverstaan schuilt betekenis. Plato en Kafka tonen dat de zoektocht belangrijker is dan het antwoord. Socrates zet zijn vrienden aan tot denken; Kafka confronteert zijn lezers met de absurditeit van wachten op een waarheid die nooit komt. In beide gevallen is de aporie geen einde, maar een begin.

Slot
Plato en Kafka lijken ver van elkaar verwijderd, maar hun werken raken elkaar in de kern. Vriendschap bij Plato en de relatie tussen buitenman en deurwachter bij Kafka zijn allebei dubbelzinnig, vol verlangen en vol tegenspraak. Misschien is dat de les: dat vriendschap, waarheid en rechtvaardigheid nooit eenduidig zijn, maar altijd iets blijven waar we naar verlangen – zonder het ooit helemaal te bezitten. Zoals Socrates zijn vrienden aanspoort tot denken, zo dwingt Kafka zijn lezers tot wachten. En in dat wachten, in dat niet-weten, ontstaat de ruimte waarin filosofie en literatuur elkaar ontmoeten.

Verkorte versie van de paper Zijn er overeenkomsten tussen Plato’s vriendschapsconcept in de Λύσις en Kafka’s Türhüterlegende? voor de Katholieke Universiteit Leuven, begeleider: Drs. Jasper Eeckhout, 2023-24.

Eerdere editie uit 1905

Reactie
Het thema Kafka-Plato doet misschien vreemd aan, maar het is bekend dat Kafka in zijn studietijd alleen of samen met vriend Max Brod werk van Plato heeft gelezen. Bekend zijn deze titels, die hij gelezen/bestudeerd en/of minstens genoemd heeft en/of in zijn boekenkast stonden: Euthyphron, De Staat, Euthydemus Protagoras, Symposion, Phaidros, Apologie en Phaidon, maar ook Ion/Lysis/Charmides, zij het in een editie uit 1920, dus na het ontstaan van ‘Vor dem Gesetz’ (dec. 1914). Niet bekend is of hij het ook inderdaad gelezen heeft. — N.B.